Van de redactie
Het verbod op prostitutie - Tussen vrijheid en dwang (Deel 2)
Het einde van de huichelarij – Duitsland heeft een nieuwe anti-prostitutiewet
Gepubliceerd op 28. juni 2013 door Doña Carmen
In de nacht van donderdag op vrijdag, 28.06.2013, heeft de Duitse Bondsdag in 2e en 3e lezing het op 4. juni 2013 door de fracties van CDU/CSU en FDP ingediende „Ontwerp van een wet ter bestrijding van mensenhandel en toezicht op prostitutiebedrijven“ aangenomen. De omzetting van de prostitutie-vijandige EU-richtlijn 2011/36/EU was de welkome aanleiding voor een massieve inperking van het door de grondwet beschermde recht op vrije beroepsuitoefening in sekswerk. Kernpunt van de nieuwe wet is een bedrijfsrechtelijke reglementering van prostitutie met de classificatie van prostitutiebedrijven als „toezichtbehoevende bedrijven“ volgens § 38 Gewerbeordnung.
De nieuwe wet wordt publiekelijk aangeprezen en vermarkt als „bedrijfsrechtelijke gelijke behandeling“ van de prostitutiebranche en als „verbetering“ van de randvoorwaarden voor sekswerk in de prostitutie. Niets daarvan is waar.
Feitelijk gaat het bij de nu besloten bedrijfsrechtelijke reglementering van prostitutie om een massieve inbreuk op het recht op ongehinderde beroepsuitoefening, dat ook sekswerkers op grond van de grondwet toekomt. In plaats van in te zetten op meer rechten voor sekswerkers in de prostitutie, kiest men opnieuw en zonder zakelijke grond voor meer controle- en toezichtsbevoegdheden van autoriteiten en politie jegens de betrokkenen.
Onder het voorwendsel van de omzetting van de EU-richtlijn 2011/36/EU en een effectievere bestrijding van de zogenaamde „mensenhandel“, gaat het in werkelijkheid om de afwikkeling van de in 2002 aangenomen Prostitutiewet. Deze wet stond – ondanks alle noodzakelijke kritiek – voor een vormgeving van de legalisering van prostitutie. Na slechts 11 jaar en een mateloze mediale hetze tegen gelegaliseerd sekswerk in de prostitutie, is de Prostitutiewet van 2002 nu substantieel uitgehold. Het blijkt een bedrijfsongeval in de geschiedenis van de Duitse prostitutiepolitiek te zijn.
Het is ook het einde van de huichelarij: de belofte van een legalisering van prostitutie die beantwoordt aan de legitieme belangen van sekswerkers, is door het parlement met de jongste wet gebroken. In tegenstelling tot de Prostitutiewet van 2002, die vooral als etalagewet was geconcipieerd en voortaan als vijgenblad wordt behouden, zal de toekomstige bedrijfsrechtelijke reglementering met de classificatie van prostitutiebedrijven als „toezichtbehoevende bedrijven“ volgens § 38 Gewerbeordnung een buitengewoon praktische (negatieve) werking ontplooien: de uitbreiding van controlebevoegdheden van autoriteiten en politie zal een middel blijken te zijn voor een politiek gewilde maximale indamming van prostitutie.
Vandaar ook de onmiskenbaar diepe genoegdoening bij tegenstanders van prostitutie van allerlei pluimage gezien de inperking die de beroepsuitoefening van sekswerkers in de prostitutie met de nieuwe wet zal ervaren.
In tegenstelling tot de officiële lezing van een met de wet gecreëerde „bedrijfsrechtelijke gelijkstelling“ van prostitutie, gaat het in werkelijkheid om een bedrijfsrechtelijk gecamoufleerde voortzetting en uitbreiding van de discriminatie van sekswerk in de prostitutie.
Voor deze zienswijze pleiten de volgende zeven punten:
(1)Geen door feiten zakelijk onderbouwde wetsmotivering:
Voor de met de wet plaatsvindende classificatie van prostitutiebedrijven als „toezichtbehoevende bedrijven“ is er geen zakelijke onderbouwing. In de wetsmotivering voor de uitbreiding van de nu bedrijfsrechtelijk uitgevoerde controle- en toezichtsbevoegdheden staat slechts: „De exploitatie van prostitutiebedrijven is vanuit crimineel-politiek oogpunt gevoelig. Ter voorkoming van criminele bijverschijnselen zoals mensenhandel, gedwongen prostitutie en seksuele uitbuiting is een preventieve betrouwbaarheidstoets van de ondernemer zinvol.“ (Drucksache 17/13706, S. 9)
Van reëel toegenomen „criminele bijverschijnselen“ van prostitutie, die een dergelijke aanscherping van de omgang met prostitutie zouden rechtvaardigen, kan echter geen sprake zijn. Want volgens de politiële misdaadstatistieken daalt de zogenaamde „bijkomende criminaliteit“ al jaren. In het jaar 2002, toen de toenmalige Prostitutiewet van kracht werd, wees de politiële statistiek op 776 vermoedelijke slachtoffers van „uitbuiting van prostitutie“ (§ 180a StGB). Tien jaar later, in het jaar 2012, waren dat nog maar 58 vermoedelijke slachtoffers! In het jaar 2002 wees de politiële misdaadstatistiek op 793 vermoedelijke slachtoffers van het delict „pooierschap“ (§ 181a StGB). In 2012 waren dat nog maar 267 vermoedelijke slachtoffers bij dit strafbare feit. In het jaar 2002 werden 988 vermoedelijke slachtoffers van het delict „mensenhandel“ geteld. In 2012 waren dat nog maar 642 vermoedelijke slachtoffers van „mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting“. In het jaar 2011 werd slechts één enkele persoon als dader veroordeeld in het geval van „uitbuiting van prostituees“, slechts 32 daders in het geval van „pooierschap“ en 117 daders in het geval van „mensenhandel“.
De feitelijke uitbreiding van de nog steeds massieve en omvangrijke razzia's en routinecontroles in de prostitutiebranche, evenals de aanscherping van de wetgeving tegen mensenhandel (laatstelijk in 2005), spreken de aanname tegen dat ontoereikend toezicht en te lakse strafwetten de oorzaak zouden kunnen zijn van de daling in de criminaliteitsontwikkeling. Wanneer nu, ondanks deze dalende criminaliteitsontwikkeling, de juridische omgang met prostitutie wordt aangescherpt door een uitbreiding van controle en toezicht, dan liggen daaraan aantoonbaar geen zakelijk onderbouwde overwegingen ten grondslag, maar het loutere belang van de tegenstanders van prostitutie in combinatie met migratiewering.
Onder het voorwendsel van „preventie“ laten – zoals hier te zien – alle burgerrechten zich uitstekend uitschakelen, niet alleen in de prostitutie. Inderdaad een brevet van onvermogen dat de openlijke en verkapte voorstanders van de nieuwe anti-prostitutiewet hiermee zichzelf uitreiken.
(2)Bedrijfsrechtelijke ongelijke behandeling door „betrouwbaarheidstoets“ in combinatie met discriminerende strafrechtelijke specifieke bepalingen voor prostitutie
De opname van prostitutiebedrijven in de catalogus van „toezichtplichtige bedrijven volgens § 38 Absatz 1 GewO heeft „een automatische toetsing van de betrouwbaarheid van de ondernemer onverwijld na de melding van de bedrijfsactiviteit of de wijziging daarvan“ tot gevolg. Anders dan bij de grote massa „meldingsplichtige bedrijven“ (volgens § 14 GewO), waar deze „betrouwbaarheidstoets“ niet is voorzien, gaat het hierbij om een algemene verdenking. Sinds 2002 heeft de Bund-Länder-Ausschuss Gewerberecht voor prostitutiebedrijven de status van „meldingsplichtig bedrijf“ aanbevolen. Wat nu de algemene verdenking van het „toezichtbehoevende bedrijf“ moet rechtvaardigen, blijft in het ongewisse. De classificatie als toezichtplichtig bedrijf komt niet alleen overeen met een zakelijk ongefundeerde algemene verdenking, maar impliceert bovendien een harde juridische ongelijke behandeling van de prostitutiebranche ten opzichte van andere bedrijfssectoren. Want in tegenstelling tot andere bedrijven is de prostitutiebranche aanvullend onderworpen aan een omvangrijke, specifiek op prostitutie gerichte straf- en bestuursrechtelijke reglementering. Daartoe behoren:
(1) § 180a StGB Uitbuiting van prostituees(2) § 181a StGB Pooierschap + §181b Toezicht op de levenswandel (met betrekking tot § 181a)(3) § 184e StGB Uitoefening van verboden prostitutie(4) § 184f StGB Jeugdgevaarlijke prostitutie(5) § 232 StGB Mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting(6) § 233a StGB Bevordering van mensenhandel (met betrekking tot § 232)(7) Art. 297 EGStGB Verbod op prostitutie / Verordeningen voor spergebieden(8) § 119 / §120 OWiG Grof aanstootgevende en overlastgevende handelingen; Verboden uitoefening van prostitutie; Reclame voor prostitutie
De betrokkenheid van personen bij dergelijke strafrechtelijke opsporingsonderzoeken zal gemakkelijk geïnstrumentaliseerd kunnen worden om personen in de prostitutiebranche de vereiste betrouwbaarheid te ontzeggen. Ten opzichte van andere bedrijven is er daarmee sprake van een glasheldere ongelijke behandeling. Van een bedrijfsrechtelijke gelijkstelling van prostitutiebedrijven met andere commerciële ondernemingen kan derhalve geen sprake zijn.
(3)Kwantitatieve en kwalitatieve uitbreiding van controle- en toezichtsbevoegdheden van autoriteiten door „inlichtingen en inspectie“:
Met de classificatie als „toezichtbehoevend bedrijf volgens § 38 GewO gaat gepaard dat „de bevoegde autoriteiten… voor het toezicht op het bedrijf bovendien de inlichtingen- en inspectierechten van § 29 GewO ter beschikking“ staan. De „bevoegde autoriteiten“ respectievelijk hun „gemachtigden“ zijn zonder rechterlijk bevel tot huiszoeking bevoegd om te allen tijde, zonder aanleiding, „controles en bezichtigingen“ uit te voeren. Het is te verwachten dat de controlepraktijk jegens de prostitutiebranche nog meer zal worden uitgebreid dan nu al het geval is. Naast de sowieso gebruikelijke grote razzia's in de prostitutiebranche worden daar momenteel bij ongeveer 11.500 zogenaamde „routinecontroles“ per jaar ca. 44.000 personen gecontroleerd. De te verwachten uitbreiding van deze praktijk betekent een kwalitatieve stijging wat betreft het toezicht op het seksuele gedrag van volwassen mensen. Want ook de klanten van de sekswerkers worden aan deze toezichtpraktijk onderworpen.
Het toezicht op commerciële ondernemingen op de naleving van de voor hen geldende rechtsvoorschriften berust in Berlin al voor een groot deel bij de Gewerbeaußendienst van de Kriminalpolizei (GAD). Het is het verklaarde doel van het BKA en de ministers van Binnenlandse Zaken van de deelstaten dat „inlichtingen en inspectie“ in het geval van de prostitutiebranche – anders dan bij overige bedrijven – als politietaak wordt gedefinieerd. Dit zou de trend naar gelijktijdige, overvalachtige en deelstaatoverschrijdende politierazzia's verder bevorderen.
De verwijzing in de wetsmotivering: „De exploitatie van prostitutiebedrijven is vanuit crimineel-politiek oogpunt gevoelig“ (S. 9), waarbij het zou gaan om de bedrijfspolitiële „voorkoming van criminele bijverschijnselen zoals mensenhandel, gedwongen prostitutie en seksuele uitbuiting“ (Drucksache 17/13706, S. 9) is meer dan alleen de gebruikelijke stigmatisering van de prostitutiebranche als zijnde fundamenteel behept met de zogenaamde „bijkomende criminaliteit“. Deze uitspraken wijzen in de richting om, in tegenstelling tot andere soorten bedrijven, de politie te belasten met het bedrijfsrechtelijke toezicht. Daarop duidt ook de verstrengeling van de strafrechtelijke problematiek van een bestrijding van de zogenaamde „mensenhandel“ met kwesties van de bedrijfsrechtelijke reglementering van prostitutie. Hier vindt op ontoelaatbare wijze een door de toezichtsstaat gemotiveerd misbruik van het bedrijfsrecht plaats voor doelen die niets met deze rechtsmaterie te maken hebben en haar vreemd zijn.
(4)Vrijwel totale controle van de prostitutiebranche door een onvoldoende duidelijk bepaald en opgerekt begrip „prostitutiebedrijf“
In de wetsmotivering staat: „Als prostitutiebedrijf moeten daarbij in het bijzonder bordelen, loophuizen, bordeelachtige bedrijven en andere bedrijven met betrekking tot bedrijfsmatige seksuele diensten worden beschouwd, die naar buiten toe als prostitutiebedrijf herkenbaar zijn en als zodanig worden waargenomen. Puur private ruimten vallen er dus niet onder, omdat zij niet toegankelijk zijn voor een economisch-bestuursrechtelijke controle. Dit geldt ook voor het huren van een woning met het oog op de uitoefening van bedrijfsmatige prostitutie.“ (Drucksache 17/13706, S. 9)
Met het subjectieve criterium dat prostitutiebedrijven „bedrijven met betrekking tot seksuele diensten“ zijn die ook „als zodanig worden waargenomen“, valt elk door twee of drie vrouwen gehuurd woningbordeel dat op internet adverteert, onder de categorie van de bedrijfsrechtelijke toezichtbehoevendheid inclusief „betrouwbaarheidstoets“ (verklaring omtrent het gedrag) en naleving van voorschriften. Het karakter van „puur private ruimten“ die niet onder het bedrijfsrechtelijke toezicht vallen, zou alleen kunnen gelden voor het speciale geval dat een vrouw in haar eigen woning aan prostitutie doet. Zodra zij samenwerkt met andere vrouwen die in de woning aan prostitutie doen, maar daar niet ingeschreven staan en daar niet daadwerkelijk wonen, zal het „puur private“ karakter van de ruimten snel worden betwist. De uitbreiding van het toezicht in de vorm van „inlichtingen en inspectie“ zal zich naar verwachting uitstrekken tot alle ruimten waarin meer dan twee vrouwen aan prostitutie doen. Precies dat was overigens ook de doelstelling van de conferentie van ministers van Binnenlandse Zaken van 2010.
(5)Bescherming van de samenleving tegen prostitutie met „voorschriften“ en door middel van onbepaalde rechtsbegrippen
Op basis van de nieuwe anti-prostitutiewet vindt via bedrijfsrechtelijke reglementering een uitbreiding plaats van discriminerende specifieke bepalingen jegens prostitutie. Opnieuw moet de samenleving tegen „overlast“ door prostitutie worden beschermd – aldus de stigmatiserende boodschap. Zo staat in het wetsontwerp: „Bovendien kan de bedrijfsvoering afhankelijk worden gemaakt van voorschriften ter bescherming van het algemeen belang, de klanten, de prostituees of de bewoners van het bedrijfsperceel of de naburige percelen tegen gevaren, aanzienlijke nadelen of aanzienlijke overlast.“ (S. 1)
Lokale bedrijfsautoriteiten krijgen met deze doelstellingen, die in de traditie en logica van klassieke spergebiedverordeningen staan, een breed werkveld met betrekking tot de indamming van prostitutie. Men mag er zeker van zijn dat de „bevoegde autoriteiten“ deze hun toegekende speelruimte gewend fantasievol zullen benutten. De weg zou vrij zijn voor een landelijke condoomplicht ter bescherming van de klanten of de prostituees – afhankelijk van de interpretatie.
(6)Weg vrij voor een officiële registratie en een voortdurend geactualiseerd bewegingsprofiel van sekswerkers
Als prostitutiebedrijven als „toezichtbehoevende bedrijven“ volgens § 38 Absatz 1 GewO zijn geclassificeerd, dan geldt voor hen ook lid 3 van deze paragraaf: „De regeringen van de deelstaten kunnen bij verordening voor de in lid 1 genoemde bedrijfssectoren bepalen op welke wijze de ondernemers hun boeken moeten voeren en daarbij gegevens over afzonderlijke bedrijfstakken, zakenpartners, klanten en betrokken derden moeten vastleggen.“
Daarmee is de officiële registratie van de in „toezichtbehoevende prostitutiebedrijven“ werkzame sekswerkers voorgeprogrammeerd. Aangezien een dergelijke registratie plaatsvindt in elk van de nu als „toezichtbehoevend“ geclassificeerde prostitutiebedrijven, ontstaat op basis van de analyse van de daarbij vrijkomende gegevens een compleet bewegingsprofiel en daarmee de mogelijkheid van een totaal toezicht op de beroepsuitoefening van sekswerkers.
Het verscherpte toezicht betreft dus niet alleen exploitanten van prostitutiebedrijven, maar zal naar verwachting ook volledig doorwerken op de sekswerkers.
(7)Nog minder rechtszekerheid voor sekswerkers
Door het feit dat inhoudelijk in de wet niet nader bepaalde „voorschriften“ door „bevoegde autoriteiten“ kunnen worden gedefinieerd, evenals door het feit dat de regeringen van de deelstaten bij verordeningen kunnen vastleggen hoe ondernemers in de toekomst hun boeken moeten voeren en daarbij gegevens moeten vastleggen, moeten de door mobiliteit gekenmerkte sekswerkers zich instellen op een van deelstaat tot deelstaat verschillende lappendeken van op hen betrekking hebbende bepalingen. Terwijl het controlekader in het kader van de bedrijfsrechtelijke reglementering landelijk wordt geünificeerd, zullen de juridische bepalingen waaraan de sekswerkers zich moeten onderwerpen, een onoverzichtelijk kluwen van uiteenlopende voorschriften en bepalingen blijken te zijn. De rechtszekerheid, waarop ook sekswerkers in de prostitutie recht hebben, zal het onderspit delven. Een probaat middel van afschrikking om de instap in de prostitutie te bemoeilijken.
Tussenbalans
Volgens de wetstekst moet de classificatie van prostitutiebedrijven als „toezichtbehoevende bedrijven“ een „verbetering van de randvoorwaarden voor in de prostitutie werkzame personen“ tot gevolg hebben. (S. 1) Dat is pure hoon!
Dat overigens uitgerekend meer „toezicht“ het geschikte middel zou zijn om de randvoorwaarden van een activiteit te verbeteren (van een verbetering van de 'arbeidsomstandigheden' is veelzeggend genoeg helemaal geen sprake meer!), komt overeen met de logica van een autoritaire toezichtsstaat. Niet anders gedraagt deze staat zich jegens de prostitutiebranche.
Het zou de Bondsrepublikeinse samenleving hebben gesierd om in samenwerking met sekswerkersorganisaties de gelijkstelling van prostitutie en andere beroepen voortvarend ter hand te nemen. Doch deze samenleving en haar politieke vertegenwoordigers zijn overduidelijk noch bereid noch in staat om de daartoe noodzakelijke, voor de hand liggende en met de burgerlijke gelijkheidsgedachte overeenstemmende stappen in te leiden en te waarborgen:
-
Strijdigheid met de goede zeden: Expliciete en definitieve afschaffing van het verdict van de strijdigheid met de goede zeden van prostitutie in het BGB!
-
Juridische discriminatie: Afschaffing van alle op prostitutie betrekking hebbende discriminerende juridische specifieke bepalingen!
-
Bestuurlijke discriminatie: Staking van alle vormen van discriminerende bestuurlijke speciale behandeling van prostitutie!
-
Vrij beroep: Erkenning van het vrije beroepskarakter van zelfstandig uitgeoefende prostitutieactiviteiten in het bedrijfs-, belasting- en bouwrecht! Het samenwerkingsverband van freelance sekswerkers is geen bedrijfsrechtelijk gereguleerd prostitutiebedrijf!
-
Bedrijfsrechtelijke meldingsplicht: Erkenning van prostitutiebedrijven als meldingsplichtige bedrijven“ volgens § 14 Gewerbeordnung!
De weg van een consequente legalisering van prostitutie, die na de deprimerende ervaringen met de in veel opzichten ondeugdelijke Prostitutiewet van 2002 had moeten worden ingeslagen, is met de nu aangenomen anti-prostitutiewet – tot vreugde van alle tegenstanders van prostitutie – vooralsnog geblokkeerd.
De lafheid staat op het voorhoofd van de politieke vertegenwoordigers van alle gevestigde partijen geschreven. De patriarchale burgerlijke samenleving en haar politieke partijen blijken niet in staat om de in de prostitutie gepraktiseerde scheiding van seksualiteit en liefde als legitieme uitdrukking van seksuele zelfbeschikking te respecteren.
In plaats daarvan beliegen en bedriegen zij zichzelf en anderen met de vermeende noodzaak van steeds verder gaande juridische aanscherpingen jegens prostitutie. Binnenkort zullen regelingen voor de bestraffing van klanten bij lichtvaardig gebruik van de diensten van zogenaamde „gedwongen prostituees“ uit de hoge hoed worden getoverd: „Een kant-en-klaar wetsontwerp ligt in de la.“ (MdB Ute Granold (CDU/CSU), 243. zitting Duitse Bondsdag, 17e zittingsperiode, 6.6.2013, S. 30796) Waarbij „dwang“ volledig afwijkend wordt gedefinieerd van hoe de betrokkenen het zelf zien. Want elke instemming van de betrokkenen met omstandigheden van hun migratie of hun werkaanvaarding geldt principieel als „irrelevant“.
De ideologie van de „mensenhandel“: De instrumentalisering van „slachtofferbescherming“ tegen prostitutie
De aanname van de „Wet ter bestrijding van mensenhandel und toezicht op prostitutiebedrijven“ neemt de oproep tot omzetting van de EU-richtlijn 2011/36/EU van 5. april 2011 als aanleiding en voorwendsel voor een aanscherping van de Duitse prostitutiepolitiek. Dat past. Want de richtlijn zelf is onmiskenbaar een anti-prostitutie- en een anti-migratierichtlijn:
-
Met de uitbreiding van het begrip „mensenhandel“ wordt een omvattende criminalisering van toekomstige armoedemigratie vooruitgelopen.
-
„Uitbuiting“ in deze context omvat „ten minste de exploitatie van de prostitutie van anderen“, zodat de prostitutieklant die de prostitutie van anderen exploiteert, in feite een criminele uitbuiter is.
-
De „vraag“ die „elke vorm van uitbuiting bevordert“, moet worden „tegengegaan“. Dat is een door Zweedse toestanden geïnspireerde, nauwelijks verhulde oproep tot de staat om prostitutie in te dammen.
-
Ten slotte moet de strafvervolging bij mensenhandel in de toekomst niet meer afhankelijk zijn van een aangifte of de aanklacht van het slachtoffer en moeten strafprocessen ook dan worden gevoerd als een slachtoffer haar verklaring heeft herroepen. Daarmee wordt de lijn dat de verklaring van de tot slachtoffer gedeclareerde vrouwen irrelevant is, consequent voortgezet.
Alleen aan een publiek dat de inhoud van EU-voorschriften toch niet meer tot zich neemt, laat staan er zich kritisch mee bezighoudt, kan deze politiek door belanghebbenden als „slachtofferbescherming“ worden verkocht.
Sinds decennia dient de door media en politici gekoesterde „slachtofferbescherming“-retoriek er niet toe om daadwerkelijke slachtoffers van dwang en geweld bijv. door een onbeperkt verblijfsrecht te beschermen, maar wordt zij geïnstrumentaliseerd om legitieme rechten van sekswerkers – die als begunstiging van „mensenhandel“ worden gedenuncieerd – aan banden te leggen.
Op een wijze die volledig ongepast is voor de werkelijke omvang en de werkelijke problematiek, wordt „slachtofferbescherming“ en de bestrijding van de zogenaamde „mensenhandel“ altijd dan op de voorgrond van het publieke debat geplaatst wanneer op de achtergrond weer eens de rechten van sekswerkers worden beknot en het systeem van discriminatie van prostitutie moet worden gemoderniseerd en uitgebreid.
Men zou – ook als het niet in het eigen wereldbeeld past – misschien eens ter kennis moeten nemen dat „volgens het Bundeslagebild Menschenhandel 2011 van het BKA … (slechts) 51 van de 640 door de politie geregistreerde slachtoffers van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting onderdanen van derde landen (waren) die illegaal in Duitsland verbleven.“ (Antwoord van de federale regering op de Kleine Anfrage van het parlementslid Volker Beck en de fractie Bündnis 90 /Die Grünen, 22. febr. 2013, S. 11)
Alleen voor deze absoluut marginale groep mensen zou de eis voor een onbeperkt verblijfsrecht mogelijk betekenis hebben. Maar hun (onthouden) rechten worden op de voorgrond geplaatst en roepen verontwaardiging op, terwijl de gelijktijdige aanval op de juridische belangen van 200.000 sekswerkers in de prostitutie doelbewust naar de achtergrond wordt geschoven en als een kleinigheid wordt behandeld. Wie dient dat eigenlijk?
De zeer grote bovenpartijdelijke coalitie tegen prostitutie
Wie buiten de huidige regeringspartijen CDU/CSU en FDP een blik werpt op de „oppositie“-partijen, wordt van elke illusie beroofd dat hier politici met oog voor de rechten van sekswerkers aan het werk zouden zijn. De in de SPD georganiseerde sociaaldemocraten zouden het – als ze maar konden – nog bonter maken dan de CDU/FDP. Dat bewijst niet in de laatste plaats het SPD-wetsontwerp over prostitutiebedrijven in Bremen.
Men moet de anders altijd onuitstaanbaar argumenterende tegenstander van prostitutie MdB Hans-Peter Uhl (CDU/CSU) bij hoge uitzondering gelijk geven wanneer hij de SPD „een reglementeringswoede zonder einde“ verwijt. „Geen enkele CSU-politicus zou men zoiets toevertrouwen“, aldus Uhl met het oog op de Bremer SPD. Dat zien wij uiteraard anders. Maar het klopt: de SPD staat allang „aan de top van de beweging van de reglementering“. (243. zitting Duitse Bondsdag, 17e zittingsperiode, 6.6.2013, S. 30800)
Bijzonder beschamend is echter de rol van de partij ‚Bündnis 90 / Die Grünen‘. Jarenlang heeft zij – altijd zeer onbepaald – gesproken over een „bedrijfsrechtelijke regulering“, over een „bedrijfsrechtelijke erkenning“ van de prostitutie. Vele adviesbureaus die prostituees begeleiden, hebben het nagepraat. Nu laten Bündnis 90 / Die Grünen de aap uit de mouw: „Bedrijfsrechtelijke erkenning“ betekent voor hen de classificatie van prostitutiebedrijven als „toezichtbehoevende bedrijven“ conform § 38 GewO met alle daaruit voortvloeiende discriminerende consequenties!
De groene fractie in de Bondsdag heeft op 21. juni 2013 een amendement (Ausschussdrucksache 17(6)285) op het wetsvoorstel van CDU/CSU/FDP ingediend, dat zich ertoe beperkt om onder zeer restrictief geformuleerde voorwaarden slachtoffers van mensenhandel een verblijfsrecht „onafhankelijk van de mogelijke deelname aan een strafproces“ toe te kennen.
Kernpunt van de zaak: de wijziging moet slechts als „Artikel 4“ aan de tot nu toe drie wetsartikelen van het CDU/FDP-ontwerp worden toegevoegd. Met andere woorden: met de gehele anti-prostitutiewet van de federale regering wordt daarmee door Bündnis 90/Die Grünen zonder tegenspraak ingestemd, mits deze maar wordt aangevuld met een extra passage over slachtofferbescherming.
Duidelijker kon de partij Bündnis 90 / Die Grünen niet tot uitdrukking brengen dat de elementaire rechten van sekswerkers voor haar niet meer betekenen dan een louter tactische wisselgeld in de deal met de politieke concurrentie.
Wie – zoals Bündnis 90 / Die Grünen – zijn instemming betuigt om
-
prostitutie principieel te stigmatiseren als een met „bijkomende criminaliteit“ behepte bedrijfsvorm;
-
de prostitutiebranche te belasten met een algemene verdenking en haar te onderwerpen aan verscherpte bestuurlijk-politiële controle en toezicht;
-
door acceptatie van de traditionele en discriminerende strafrechtelijke specifieke bepalingen tegen prostitutie nu een bedrijfsrechtelijke ongelijke behandeling van de exploitanten van prostitutiebedrijven ten opzichte van andere bedrijven op de koop toe te nemen;
-
met inhoudelijk ongedefinieerde voorschriften en deelstaatspecifieke verordeningen de rechtsonzekerheid van sekswerkers in de prostitutie nog meer te vergroten;
-
praktijken van registratie van sekswerkers, hun gedwongen outing en de openbaarmaking van hun professionele bewegingsprofiel te accepteren,
die heeft elk recht verspeeld om de „bescherming van prostituees“ als legitimatie voor zijn politiek handelen te claimen.
Want het gaat om niets anders dan een bedrijfsrechtelijke vastlegging van de discriminatie van een beroepsgroep waaraan een juridische gelijkstelling systematisch wordt geweigerd. Met groene instemming moeten sekswerkers in de prostitutie een vernederend bestaan blijven leiden als rechteloos gemaakte tweederangsburgers.
Het hoort bij het „einde van de huichelarij“ dat de vertegenwoordigers van Bündnis 90 / Die Grünen daarmee duidelijk maken aan welke kant zij staan.
Door de op 27. juni 2013 door Bündnis 90 / Die Grünen in het debat in de Bondsdag ingebrachte aanvullende moties over de „vergunningsplicht voor prostitutiebedrijven“ en over de „bestraffing van klanten“, heeft deze partij ten koste van de sekswerkers de concurrentie om de scherpste anti-prostitutieregels populistisch aangewakkerd en op de laatste meters geprobeerd de CDU/CSU/FDP-regelingen nog rechts in te halen. Het is te verwachten dat de door CDU/CSU en FDP aangenomen wet ofwel via de Bondsraad ofwel via een toekomstige zwart-groene federale regering in deze zin zal worden bijgesteld. Want de vergunningsplicht is een oorspronkelijke eis van het Bundeskriminalamt (BKA), de bestraffing van klanten een oorspronkelijke eis van CDU/CSU. De verliezers zouden in elk geval de vrouwen in de prostitutie zijn.
Vooruitblik
Het is niet moeilijk te voorspellen: ook met de huidige anti-prostitutiewet zullen niet meer slachtoffers van „mensenhandel“ worden geïdentificeerd. Maar prostitutiebedrijven zullen op de knieën worden gedwongen en gesloten, prostitutie zal worden ingedamd.
Niet alleen de huidige federale regering, maar alle partijen die hun handen vuil hebben gemaakt aan de medewerking en aan het debat over de nu aangenomen anti-prostitutiewet, zullen de sekswerkers vroeg of laat tot hun tegenstanders maken.
Een sterk argument meer voor een zelfstandige, partijpolitiek onafhankelijke en strijdbare organisatie van sekswerkers in dit land.
Doña Carmen e.V. zal het proces van organisatie van de sekswerkers ook in de toekomst blijven ondersteunen om de aangenomen anti-prostitutiewet samen met alle overige, de prostitutie discriminerende rechtsbepalingen ten val te brengen.
**************************************************************************************
Open brief aan de afgevaardigden van de Duitse Bondsdag
Gepubliceerd op 30. mei 2016 door Doña Carmen
Geachte dames en heren,
op 2. juni 2016 vindt in de Duitse Bondsdag de eerste lezing plaats van de zogenaamde „Prostitueebeschermingswet“.
Als organisatie die al bijna twee decennia te maken heeft met vrouwen in de prostitutie, waaronder veel prostitutiemigranten, grijpen wij deze gelegenheid aan om ons rechtstreeks tot u te wenden.
U heeft als gekozen lid van de Bondsdag de mogelijkheid om uw ongenoegen te uiten over het door de federale regering ingediende wetsontwerp en de instemming daaraan te onthouden. Daarin willen wij u sterken. Wij willen u herinneren aan uw verantwoordelijkheid – welwetend dat sekswerkers een maatschappelijke minderheid zijn wier lot u persoonlijk niet noodzakelijkerwijs hoeft te interesseren.
Doch aangezien de omgang met minderheden – zoals u bekend zal zijn – altijd al een onbedrieglijke graadmeter is voor de feitelijke gelding van vrijheidsrechten, zou het u niet onverschillig moeten laten wat de door de Grote Coalitie geplande „Prostitueebeschermingswet“ met de betrokkenen doet.
Het door de CDU/CSU/SPD-regering ingediende „Ontwerp van een wet ter regulering van de prostitutiebranche en ter bescherming van in de prostitutie werkzame personen“ (Drucksache 18/8556 van 25.05.2016) veronderstelt op dubieuze wijze als leidbeeld een slechts in uitzonderingsgevallen zelfbeschikkend handelende sekswerker. Sekswerk geldt in meerderheid als door anderen bepaald. Tegen deze achtergrond moet de creatie van talloze controlemomenten, zoals het wetsontwerp voorziet, verschijnen als „bescherming“ van de betrokkenen en als waarborg voor een zelfbeschikkend handelen.
De basisaanname van een grotendeels door anderen bepaald werkzame sekswerker wordt echter door geen enkele sociaalwetenschappelijke, empirisch onderbouwde studie ondersteund. Het gaat derhalve om een goedkope verdachtmaking met het doel een politiek te legitimeren die een gehele beroepsgroep onder uitzonderingsrecht plaatst. En daar maakt het voorliggende wetsontwerp van de federale regering rijkelijk gebruik van.
De binnenkort ter stemming staande „Prostitueebeschermingswet“
-
– behelst een 50-voudige juridische ongelijke behandeling van prostitutie in vergelijking met andere zelfstandig uitgeoefende bedrijven (zie https://www.donacarmen.de/wp-content/uploads/Rechtliche-Ungleichbehandlung-des-Prostitutionsgewerbes.pdf);
-
– is gebaseerd op gecalculeerde rechtsbreuk met het doel prostitutie in te dammen. Bij wijze van voorbeeld zij hier slechts verwezen naar het feit dat de geplande meldplicht voor sekswerkers in strijd is met Art. 8 lid 4 van de EU-richtlijn 95/46/EG, die EU-lidstaten de verwerking van persoonsgegevens over o.a. het seksleven verbiedt. Verwezen zij verder naar het feit dat de plicht tot persoonlijk verschijnen in het kader van de geplande aanmelding respectievelijk verlenging van de aanmelding voor sekswerk in strijd is met Art. 8 lid 1 van de Europese Dienstenrichtlijn (elektronische afwikkeling van de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit).
-
– dwingt sekswerkers bijna 40 verplichtingen op, wier naleving de grondwettelijk gewaarborgde beroepsvrijheid tot een karikatuur maakt en de betrokkenen in de illegaliteit zal dringen (zie https://www.donacarmen.de/wp-content/uploads/Pflichten-von-SexarbeiterInnen-und-BordellbetreiberInnen.pdf);
-
– vestigt met elk van deze verplichtingen bijbehorende controle- en sanctiemomenten, uitermate geschikt om de betrokkenen naar behoefte aan ambtelijke pesterijen bloot te stellen; daar komen nog diverse exploitantenplichten bij, aangezien elke woning die door twee of meer sekswerkers wordt gebruikt al als een door een exploitant geleid commercieel bedrijf wordt geclassificeerd;
-
– onderwerpt sekswerkers voortaan bij elke stap aan een door de staat en bordeelexploitanten uitgeoefend toezicht;
-
– effent de weg voor een op denunciatie gebaseerde cultuur van verdenking, wanneer woningen met het oog op controle van vermoede prostitutie-uitoefening door politie en handhavingsinstanties te allen tijde zonder aanleiding kunnen worden betreden.
Op nationale schaal wordt daarmee een door de politie begeleid aanbieden van seksuele diensten de norm. Net als in de tijd van het Duitse Keizerrijk!
Is deze omgang met de seksualiteit van mondige volwassen burgers wat u als lid van de Duitse Bondsdag voor ogen staat als visie op een toekomstige samenleving?
Het voorliggende wetsontwerp van de Grote Coalitie effent de weg voor een gedwongen gezondheidsadvies, voor een officiële gedwongen registratie van betrokken vrouwen zoals laatstelijk in 1939 onder de nazi's, voor een gedwongen outing van de betrokkenen, voor een vernederende, in het intieme leven van volwassen mensen ingrijpende gedwongen condoomplicht. Wanneer is er ooit zo'n veelzijdige, door de staat gecreëerde dwang in de prostitutie geweest?
Wees ervan verzekerd: alle organisaties van sekswerkers en alle organisaties die kunnen bogen op ervaring in de omgang met sekswerkers, wijzen het voorgelegde wetsontwerp resoluut af. Want het staat op het voorhoofd geschreven: het is niets anders dan een anti-prostitutiewet. U zult geen enkele sekswerker vinden die iets goeds kan zien in dit repressieve wetgevingswerk.
Geloof als parlementslid dus niet alles wat men u over de „Prostitueebeschermingswet“ vertelt! Ook als partijgenoten de „bescherming van de prostituees“ aanhalen: wantrouw dat! Want het is niets anders dan een voorstelling van valse feiten. Het voorliggende wetsontwerp moet geenszins prostituees tegen dwang en geweld beschermen, het moet veeleer de samenleving tegen prostitutie beschermen. Hiermee wordt moraal weer de richtsnoer van recht en wet.
Hoe kunt u deze terugval in tijden die allang voorbij werden geacht, verenigen met uw politieke basisovertuigingen en uw geweten? Hoe moet een wet die erop gericht is het levensontwerp van bepaalde bevolkingsgroepen algemeen verbindend te verklaren, passen in een pluralistisch ingerichte samenleving?
Prostitutie vormt „niet zelden het milieu voor aanzienlijke strafbare feiten (mensenhandel, drugshandel, wapen- en valsgelddelicten enz.), die met een hoge graad van organisatie worden gepleegd. Vanuit het oogpunt van opsporing komt daar nog bij dat dit gebied in toenemende mate wordt gedomineerd door buitenlandse dadergroepen (taal- en cultuurbarrières). De staat mag voor dit gebied niet langer de ogen sluiten. Het is mensonterend als we doen alsof alles in orde is, omdat in theorie alles geregeld is.“
Zet het u niet aan het denken dat deze hier geciteerde passage uit het ontwerp van het partijprogramma van de „Alternative für Deutschland“ (AfD) overal inwisselbaar is en in vrijwel gelijkluidende formulering te vinden is in alle overeenkomstige verklaringen van CDU/CSU, van SPD en GRÜNEN?
Hier als daar wordt verzwegen dat relevante delicten op dit gebied al geruime tijd afnemen. De pas enkele dagen geleden gepubliceerde „Polizeiliche Kriminalstatistik 2015“ bevestigt een imposante daling met betrekking tot alle kengetallen bij zogenaamde „red-light delicten“. Bij „mensenhandel“ (§ 232 StGB) documenteert de officiële statistiek voor de periode 2000 – 2015 een halvering van alle relevante kengetallen (gevallen, vermoedelijke slachtoffers, verdachten). De verhouding „verdachten in verhouding tot vermoedelijke slachtoffers“ ligt al decennia op iets meer dan 1: 1, zodat hier de sprake van „georganiseerde misdaad“ respectievelijk „buitenlandse dadergroepen“ (AfD) een bewust vertekend beeld van de realiteit geeft.
Nog duidelijker zijn de verhoudingen in de EU. Volgens het jongste EUROSTAT-rapport van 19. april 2016 zijn er in de EU, gerelateerd aan de meer dan 500 miljoen inwoners, in de laatste twee jaar telkens 7.923 vermoedelijke (nog niet eens gerechtelijk bevestigde) slachtoffers. Een duidelijke daling ten opzichte van de voorgaande jaren! Met een percentage tussen 0,3 en 0,2 veroordelingen per 100.000 inwoners blijkt de zogenaamde „mensenhandel“ een van de zeldzaamste vormen van criminaliteit te zijn – geheel in tegenstelling tot de schrille anti-mensenhandel-hysterie van de officiële EU-politiek en abolitionistische haatpredikers die menen dat de wereld moet genezen aan hun levensontwerp.
Ondanks al deze onweerlegbare feiten pleiten de fractievoorzitters van de regeringspartijen CDU/CSU en SPD voor een „vergunningsplicht voor de prostitutiebranche“ en voor te allen tijde, verdenkingsonafhankelijke en aanleidingloze controles. Zij hebben zich daarmee een fix idee van het BKA uit het jaar 1993 eigen gemaakt! Zij hebben zich met de zegen van de kerken door hogere politieautoriteiten en ministeries van Binnenlandse Zaken laten inpakken en zich een zuivere politiewet in de pen laten dicteren. Wat een brevet van onvermogen!
Zelfs commissies van de Bondsraad en de Duitse Vrouwelijke Juristenbond (djb) houden hun adem in en verklaren o.a. dat § 11 ProstSchG („Bevelen jegens prostituees“), in zijn huidige vorm niet verenigbaar is met de grondwet. Hetzelfde zal waarschijnlijk gelden voor andere wetsartikelen. Want § 11 ProstSchG staat slechts symbool voor de door en door repressieve geest die het voorliggende wetsontwerp in zijn geheel kenmerkt.
Als het om prostitutie gaat, dweepen politici van alle partijen bijna verrukt met het ideaal van zelfbeschikking. Welaan! Als dit beginsel u als parlementslid werkelijk na aan het hart ligt, aarzel dan geen moment en geef het goede voorbeeld! Er wordt gezegd dat u zich doorgaans moet schikken naar de fractiediscipline en uw persoonlijke overtuigingen daaraan ondergeschikt moet maken. Heb nu de moed en weiger u te laten leiden door de in elk opzicht ongepaste vastleggingen van uw fractietop! Laat zien dat het u werkelijk ernst is met zelfbeschikking!
Ook al dankt u uw persoonlijke waardering, uw politieke welzijn en uw materiële voorzieningsaanspraken als parlementslid in hoge mate aan de onderwerping aan de fractiediscipline van uw partij: weersta op dit punt de verleiding van beïnvloeding door anderen! Beslis autonoom! Leef voor wat men sekswerkers predikt! Stem 'Nee' als het erom gaat hier te lande 200.000 vrouwen aan een repressieve controlewet te onderwerpen!
Vooral van migranten-sekswerkers wordt graag gezegd dat zij lichtgelovig zijn, in allerlei misleidingen trappen en blindelings de verleidingen van het gemakkelijk verdiende geld volgen. Dat zou men moeten tegengaan.
Geef als parlementslid ook hier het goede voorbeeld! Vertrouw niet lichtgelovig op de al te doorzichtige mediale enscenering van Duitsland als het „bordeel van Europa“. Wantrouw de horrorscenario's van een massale overstroming van de prostitutiebranche door van buitenaf gestuurde armoedemigranten! Ken ook aan buitenlandse vrouwen het vermogen tot rationele beslissingen toe! Trap niet in de legende dat vrouwen in de prostitutie niets anders zijn dan „hulpeloze slachtoffers“, niet in staat om zichzelf te helpen in geval van dwang.
Stem dus 'Nee' als men u onder voorwendsel van valse feiten dwingt in te stemmen met een wet die per saldo neerkomt op een maatschappelijke uitsluiting van prostitutie! Of kunt u het als parlementslid met uw geweten verenigen dat sekswerkers hier te lande bij duizenden bij wet in de illegaliteit worden gedwongen en daarmee de facto vogelvrij worden verklaard?
En bedenk alstublieft: de uitsluiting van prostitutie is ervaringsgewijs slechts de opstap naar een hernieuwde repressieve omgang met seksualiteit, ook buiten de prostitutie. Vindt u dat wenselijk? Is dat uw ideaal van een toekomstige, vrije samenleving?
Doña Carmen e.V. heeft naar aanleiding van het in werking treden van de rood-groene prostitutiewet in het jaar 2002 verklaard dat het daarbij ging om een „etalagewet“ die de reële problemen van de prostitutiebranche niet oplost. Wij hebben met onze toenmalige inschatting gelijk gekregen. Maar horen wilde dat uiteraard niemand. Vandaag, veertien jaar later, valt onze beoordeling van het voorliggende ontwerp voor een „Prostitueebeschermingswet“ niet minder desastreus uit. Maar er is een cruciaal verschil: de nu voorliggende politiewet over prostitutie zullen de betrokkenen niet pikken! Bedenk dat alstublieft!
Wij doen een beroep op u als parlementslid om de niet alleen door ons, maar ook door vele andere maatschappelijke organisaties geuite kritiek serieus te nemen.
Daarom:
-
– Geef de sekswerkers rechten, in plaats van autoriteiten en politie steeds meer controlerechten!
-
– Zet u samen met de betrokkenen in voor de juridische gelijkbehandeling van prostitutie met andere bedrijven!
-
– Draag ertoe bij dat discriminerend uitzonderingsrecht en het nog steeds bestaande speciale strafrecht tegen prostitutie eindelijk tot het verleden behoren!
Kortom: Onthoud de zogenaamde „Prostitueebeschermingswet“ in zijn geheel uw instemming!
Met vriendelijke groet
Juanita HenningWoordvoerster Doña Carmen e.V.
Bron: https://www.donacarmen.de/offener-brief-an-die-abgeordneten-des-deutschen-bundestags/
**************************************************************************************
Prostitueebeschermingswet draagt handschrift van de politie
Gepubliceerd op 17. maart 2018 door Doña Carmen e.V.
Beste collega's, beste vrienden,
onze organisatie – de vereniging Doña Carmen e.V. – zet zich in voor de sociale en politieke rechten van vrouwen in de prostitutie.
Er zal nauwelijks een andere economische sector in dit land zijn die in zo hoge mate door de politie wordt gecontroleerd als de prostitutiebranche. Ik zeg dat omdat wij sinds het jaar 2000 het politietoezicht op deze branche in de vorm van razzia's documenteren. Het resultaat:
In de afgelopen 18 jaar werden in het kader van 351 grote razzia's in 1.058 gemeenten meer dan 9.500 bordelen en woningen doorzocht. 77.000 ingezette rechercheurs controleerden ter plaatse ongeveer 55.000 personen, in de regel sekswerkers. Dat is al heel wat.
Men moet weten dat bij elke 9e razzia speciale eenheden van de politie worden ingezet: BGS respectievelijk Bundespolizei, Mobile Einsatzkommandos (MEK), Sondereinsatzkommandos (SEK) en in incidentele gevallen zelfs de speciale eenheid GSG 9. Dat laat zien dat razzia's in het roodlichtmilieu ook altijd oefeningen zijn voor paramilitaire eenheden.
De razzia's in de prostitutiebranche zijn slechts het beroemde „topje van de ijsberg“. Voortdurende 'reguliere' routinecontroles van de politie zijn daarbij nog niet eens meegerekend. Daardoor worden volgens onze berekeningen per jaar rond de 40.000 vrouwen gecontroleerd.
Onthullingen van Wikileaks hebben aangetoond dat de Amerikaanse regering zich door de Frankfurter politiechef gedetailleerd laat informeren over de omvang en reikwijdte van het toezicht op prostitutie. Dat bleek uit een in 2011 door Wikileaks gepubliceerd kabelbericht.
Doña Carmen nam dat als aanleiding om de toenmalige politiechef, Dr. Achim Thiel, om opheldering te vragen over wat deze praktijken van netwerkvorming tussen Duitse en Amerikaanse politieautoriteiten met betrekking tot het toezicht op prostitutie inhielden.
De heer Thiel schreef destijds aan Doña Carmen:
„Voor zover ik mij herinner, klopt het dat ik rond de genoemde tijd een gesprek heb gevoerd met medewerkers van Amerikaanse politieautoriteiten, waarin het ging om de ervaringen van de Duitse en de Amerikaanse politie bij de bestrijding van de criminaliteit in het roodlichtmilieu. Daarbij ging het om een gebruikelijke uitwisseling van ervaringen ter onderhoud van de internationale politiële samenwerking.“(Brief van Dr. Thiel aan Doña Carmen, 22.11.2011)
Wij beschouwen zowel het overgedimensioneerde, repressieve politietoezicht op de prostitutie als de „gebruikelijke uitwisseling van ervaringen“ met de Amerikaanse politie als een regelrechte gotspe. Maar dat alles is de normaliteit.
Het lijkt de machthebbers totaal niet te zinnen als men hun handelen documenteert. Dat hebben we vorig jaar moeten ervaren. Het loutere feit dat wij op de website van Doña Carmen een voor iedereen inzichtelijke statistiek van bordeelrazzia's bijhouden, was bijvoorbeeld de Frankfurter belastingdienst een doorn in het oog en een welkome aanleiding voor de poging om ons de status van algemeen nut beogende instelling te ontnemen.
Zo schreef de belastingdienst in augustus 2017 aan de Hessische belastingrechter (ik citeer):
„De sinds het jaar 2000 bijgehouden razziaspiegel en de regelmatige protesten tegen razzia's door de politie … laten niet zien dat (Doña Carmen e.V.) begrip heeft voor de taken van de veiligheidsinstanties …“
(Einde citaat)
Een kritische houding tegenover de politie geldt voor de belastingdienst blijkbaar al als voldoende reden om een vereniging de status van algemeen nut te ontnemen! Dat is opmerkelijk!
Wij hebben ons niet laten imponeren door de aanvallen van deze instantie en blijven ook in de toekomst het politietoezicht op sekswerkers documenteren. Wij keren ons echter niet alleen tegen repressieve controleactiviteiten van de politie ter plaatse, maar ook tegen de structurele invloed van de politie op politieke besluitvorming.
Zoals jullie misschien hebben meegekregen, regelt sinds juli 2017 hier te lande een zogenaamde „Prostitueebeschermingswet“ de omgang met sekswerk in de prostitutie.
Centrale punten van de wet zijn (1) een gedwongen medisch advies, (2) de gedwongen registratie van de vrouwen, (3) een daarmee verbonden gedwongen outing van de betrokkenen, (4) de invoering van een hoerenpas die sekswerkers constant bij zich moeten dragen, evenals (5) vergaande betredingsrechten van de handhavingsinstanties in prostitutiebedrijven.
Voor het betreden van prostitutiebedrijven heeft men in de toekomst geen huiszoekingsbevel meer nodig. Daar kan de politie te allen tijde naar binnen wandelen.
Daarbij moet men weten: er is al sprake van een prostitutiebedrijf wanneer slechts twee vrouwen in een woning aan prostitutie doen. Het grondrecht op onschendbaarheid van de woning volgens Art. 13 GG is daarmee niet alleen voor sekswerkers buiten werking gesteld. Want het betredingsrecht geldt ook wanneer er slechts een vermoeden bestaat dat een vrouw in haar woning mogelijk aan prostitutie doet.
Het kernelement van de Prostitueebeschermingswet, de „vergunningsplicht voor prostitutiebedrijven“, maakt bovendien een omvattende controle van de daar werkzame vrouwen mogelijk. Toezichthoudende instanties kunnen indien nodig een vrijwel sluitend bewegingsprofiel van vrouwen in de prostitutie opstellen.
Men kan het draaien of keren zoals men wil: de nieuwe Prostitueebeschermingswet is een zuivere politiewet!
Zo heeft men afzonderlijke elementen van de wet rechtstreeks door de politie laten uitwerken. De rol van politici beperkte zich ertoe om als uitvoerend orgaan van de politie deze wet een parlementair jasje aan te trekken. Met uw welnemen, beste collega's: dat zijn toestanden die elke politiestaat eer aan zouden doen!
Wij hebben niet het minste probleem om onze beschuldiging gedetailleerd te onderbouwen en kunnen daarbij man en paard noemen:
(1) De „vergunningsplicht voor de prostitutiebranche“ is een concept van het BKA uit het jaar 1993. Ulrich Sieber, destijds professor strafrecht aan de universiteit van Würzburg, ontwikkelde het in de door het BKA gefinancierde opdrachtstudie „Logistiek van de Georganiseerde Misdaad“. Het verklaarde doel was de invoering van nieuwe ingrijpsbevoegdheden van de staat, zoals de ontkoppeling van politiële onderzoeken van de vereiste van een concrete verdenking.
(2) De meldplicht voor sekswerkers was een idee van de politiedirectie Hannover, die in 1999 een compleet wetsinitiatief voor prostitutiereglementering presenteerde. Kriminaloberrat Schnelker droeg dit in 2001 voor tijdens een hoorzitting op het federale ministerie van Gezinszaken.
(3) Het gezondheidsadvies en de speciale behandeling van vrouwen onder de 21 jaar zijn licht gewijzigde voorstellen van de Augsburgse rechercheur Helmut Sporer uit het jaar 2006.
(4) De in de Prostitueebeschermingswet verankerde vergaande betredingsrechten van de politie op het gebied van woningprostitutie gaan terug op voorstellen waarvoor Detlef Ubben van het LKA Hamburg zich sterk heeft gemaakt. Het „Hamburger Abendblatt“ berichtte in 2011 met verwijzing naar de heer Ubben over een desbetreffend wetsinitiatief dat grotendeels in Hamburg werd ontwikkeld.
Dit alles verduidelijkt: de Prostitueebeschermingswet draagt van A tot Z het handschrift van de politie!
Het wekt dan ook geen verbazing dat daarmee elementaire grondrechten voor sekswerkers buiten werking worden gesteld: het grondrecht op beroepsvrijheid, het grondrecht op informationele zelfbeschikking, het grondrecht op seksuele zelfbeschikking en het grondrecht op onschendbaarheid van de woning.
Daartegen heeft Doña Carmen een constitutionele klacht ingediend, die nog dit jaar door het federale constitutionele hof zal worden behandeld.
Eén ding is duidelijk: tegen politiegeweld, tegen rechteloosheid en discriminatie moet men zich verzetten – juridisch, politiek en met acties zoals deze vandaag!
Hartelijk dank voor jullie aandacht!
Bron: https://www.donacarmen.de/prostituiertenschutzgesetz-traegt-handschrift-der-polizei/#more-1992
Laatst bijgewerkt op